Do Not Disturb

De zee bewaart de wijsheid van het leven en schuwt daar het licht, de vrijgevigheid die van haar geëist wordt, neemt ze ongenadig en eigenmachtig terug van diegene die haar in hoogmoed of in wanhoop trotseren. Als reiziger op deze boot besef ik dit maar al te goed, maar ik kijkt de ander kant op, de kant van de horizon, want hoop in het leven valt hier samen met de lijn aan de horizon. Het is altijd makkelijker om de andere kant uit te kijken. Heb je me lief?, vraagt ze hem. Tussen ja of nee als antwoord op deze vraag, liggen alleen maar leugens, is het niet zo dat het leven alleen maar afstand wil nemen van liefde. Moeten we ons telkens weer laten storen om die liefde te vinden? Ze kijkt de man met vragende donkere ogen aan, hij die het zo moeilijk heeft om lief te hebben, iets wat hij inwendig kent, heimelijk naar snakt, dat hij er steeds weer van wegloopt, door die vlambare toestand te zoeken midden in vernielende stormen op weidse zeeën. De gladheid van haar huid verdwijnt langzaam onder de ijskoude zoute wind. Hij tuurt de zee af waarvan de nacht het zichtbare heeft weggetrokken en samenperst in een kromme lichtgevende lijn aan de horizon. Ik draai me naar haar om, buig me langzaam naar haar toe en terwijl ik haar gezouten lippen proef, vind ik haar ogen, waar ik zo’n rust vind, ik voel haar lippen glimlachen en dan zeg ik ‘ja’.

We lopen zwijgzaam terug naar onze kajuit. Zwijgzaam alsof woorden dit moment zouden verstoren. Zwijgzaam omdat dit moment geen woorden nodig heeft. Zwijgzaam omdat daarmee de realiteit die zich aanbiedt, geproefd wordt, die machteloos is tegenover de kracht van twee lichamen die elkaar vast houden, hun eenheid sluit elke realiteit hermetisch af. De deur van de kajuit valt in het slot, onze naaktheid vult de kamer, afgetast door onze handen.

Het doet deugt in het leven om een flinke scheut zuurstof tot zich te nemen, daarbij de ogen te sluiten en te beseffen dat die zuurstof tot in alle dieptes en holtes van je lichaam afdalen of opstijgen, want wie beweert dat alles in ons lichaam afdaalt? Mijn wereld staat meestal op zijn kop, luistert niet, stoort zich zelf aan de regels van de samenleving, vertrouwt hij haar toe. Regels, opgeschreven met niet dagelijkse woorden, om dit leven draagbaar te maken, terwijl muziek dat veel beter doet en woorden als room doet smaken. Ik luister naar de zachte tonen van de muziek die me bereiken. Haar ritme is bergend, zoals het schip dat zich neergelegd heeft bij het ritme van de zee, de zee die de wind laat dartelen met haar golven en zo haar duistere stiltes, woelende vredigheid, waar ongure creaturen wachten om toe te slaan, doet vergeten. Ik sla mijn ogen op en tuur naar de gesloten deur.

‘Do not disturb’, staat er op het bordje van onze boothut en vergroot zijn gebod uit door zich met witte letters op een felrode achtergrond te nestellen, alsof de vering van de fauteuil waarin hij was neergeploft was losgeschoten en hij zodoende zijn boodschap met een bijhorende nervositeit loslaat. Het schip dat ooit zijn metalen koetswerk als bescherming had aangeboden, is ondertussen gezonken en heeft zijn dode en levende geheimen meegenomen naar de donkere dieptes van de Baltische zee ergens tussen Stockholm en Talinn, maar het bordje is aan dit waanzinnige einde ontsnapt door het feit dat ik het met me meenam, hoewel ik echt niet aan dit soort van souvenirs ben gehecht. Het pronkt sinds haar kidnapping aan de klink van mijn badkamer. De ellendige voorgeschiedenis van haar lotgenoten heeft haar geïconiseerd. Niemand zal ooit nog hut 180 storen, nooit zal ze nog geuren naar passie, ze werd met alle levenden meegezogen naar die donkere diepte, die met haar kilte alle passie smoort en haar levenswijsheid voor elke tedere levende aan de oppervlakte verborgen houdt. Ze heeft paniek gehoord, krijsende stemmen die beseffen dat het gekraak van het karkas zich meester van hen maakt en er alles zal aan doen om samen met hen naar de diepte van deze zee af te dalen. Het karkas vecht hetzelfde gevecht tegen de zee, waardoor het inwonenden van het schip meerdere hindernissen te overwinnen hebben. De bewoners van hut 180 hebben op dat moment de krachten van de aarde en de zee samen gevoeld, de wanhoop van hun medereizigers aangehoord, zijn vertrappeld geworden in de ongeorganiseerde vlucht van de vele reizigers die in een ijzeren buik van een gigantisch zwalpend schip in een gezellig klein houten kajuit bekleed met rood fluwelen muren vastzitten. De wereld wordt ondraaglijk groot en de vluchtwegen zijn ijzig en schielijk rondslingerende waterslierten die jouw redding aanbieden, als je ze grijpen kan.

Onze dierlijke geur is in deze hut als stroop in water, ik zuip ze enthousiast telkens ze me een deel van haar lichaam aanbiedt waar mijn handen, tong, ogen, billen aan voorbij komen, alsof ze elke kracht uit mij wil halen om telkens weer opnieuw te beginnen, en zo de storende gedachte te elimineren dat er ooit een eind aan al dat begin komt. Ze uit zich bloot, door niets te zeggen, door geen woorden te gebruiken, door zacht te kreunen, door muziek te beleven, door te leven, te leven, te leven. We zijn doornat.

Advertenties