Ik mis haar ook.

Als ik mijn ogen dicht doe, bestaat de wereld niet meer. Als ik mijn ogen open zie ik haar slanke hand tokkelend op de tafel. Ze praat met haar broer, organiseert het eerste deel van haar reis. Aan die vooravond, neem ik een plaats in haar leven. Ze vertrekt voor een jaar. Ze borrelt van leven, van passie, haar lichaam kronkelt van plezier rond het mijne. Als ik mijn ogen dicht doe, bestaat mijn wereld niet meer, enkel de onze, diep verstrengeld aan elkaar, voel ik geen onmacht, voel ik geen verlies. Straks zal ik mijn ogen sluiten en zal onze wereld vervliegen op ontelbare ronddartelende blaadjes, met door ons beschreven woorden, doorheen een zachte wervelwind, hemelwater vormend waardoor ik me waad. Ik word niet nat, ik word warm van mijn opgefriste heugenis door de blaadjes die me raken. Ik laat mijn liefde voor haar niet los, ik laat haar los, en loop leeg. Ik wil mijn ogen niet sluiten, maar vasthouden aan haar beeld.

Wie niet weg is, is gezien.
Wie weg is, is gezien.
Wie weg is, is niet gezien.

Zie je dat kasteel daar? En het flikkerend kaarslicht door de ramen? Daar woont een draak! Hij woonde er niet alleen. Hij had het gezelschap van een klein meisje. Dat meisje is een vrouw nu en speelt al lang geen verstoppertje meer met de draak. Ze vertroetelde hem als een klein hondje, want draken blijven eeuwig jong en speels. Hoe ik haar heb leren kennen is een ander verhaal. Ik werd verliefd, zoals zwemmen in een onstuimige zee, met zacht wit schuim, waarin je met je ogen dicht in springt, en eenmaal ondergedompeld alles rustig en kalm wordt. Het onregelmatige ruisen van de zee als het ritme van onze liefdes ademtocht. Maar de zee trekt zich terug en op een avond bevond ik me op het voorplein van het kasteel. De avond viel zacht en de kaarsen brandden achter de ramen. Ik nam de moed om het kasteel binnen te dringen en aan te kloppen aan de kamer van de draak. De kamer was donker en nu pas begreep ik dat de kaarsen geen kaarsen zijn, maar vuurvonken uit de snurkende neus van de draak. Van binnenuit zag het er niet uit als fonkelende kaarsjes maar eerder een dansend twinkelend gloeivuur. De draak ontwaakte zachtjes uit zijn slaap en uit een uiterste hoek tekenden twee gifgroene fonkels op. Vanuit die groene ogen bekeek hij me en in een fractie van een seconde schrok hij op uit zijn slaap en stormde rokend op me af. De vlammen uit zijn neus schroeiden op mijn huid. We keken elkaar strak aan en plots kalmeerde hij. Met een geweldige inhaling nam hij mijn geur op. Draken kunnen goed geuren onderscheiden en in zijn olfactische activiteit ontdekte hij de geur van mijn geliefde, zijn dierste. Zijn drakegezicht ontspande door de glimlach die erop verscheen en langzaam legde hij, nog diep haar geur in zich opnemend, zijn zwaar hoofd op mijn schouder.

– Ik mis haar ook, fluisterde hij me toe.

29/03/2016

Advertenties