Dit verhaal is gewoon ons verhaal.

Herinner je je de geboorte?, vraagt een vriendin me. Ze beeld het kind uit, wiegend in haar armen, ruikt eraan, geniet van de geur, gaat er zo in op dat ik zelf de baby ruik, een onweerstaanbaar parfum dat naar verlangen smaakt, verlangen naar liefde, verlangen naar zachtheid, verlangen naar samenzijn, verlangen. Haar harde verschijning verzacht bij het herbeleven van dat verleden, een lichtpunt afgestorven door de tijd, onttrokken door de mist, herleidt tot een zweem gedachten, zo veraf als de horizon aan de zee, dat het maar eventjes duurt vooraleer haar gezicht haar vertrouwelijke hardheid terugvindt. Ik moet haar de geur van mijn eigen zoon schuldig blijven, maar beleef ander persoonlijke momenten vooraleer ik me terug in haar verhaal inleef.

En zie wat er nu van hun is geworden, ze slaat haar vuist met zoveel energie door de lucht dat ik blij ben dat ze niet bij de jongeren, waarvoor deze moker bestemd was, aankomt, maar ergens in de lucht is blijven hangen. Ze is kwaad. En het wordt erger en erger, vervolgt ze en gaat door op de onzekere toekomst van onze jongeren. Ik wil haar niet volgen in haar zienswijze die me laat afdalen naar een fatalistische dynamiek. Doemdenken heeft een grote invloed op mij, ze overmeestert mij, ze nestelt zich zo makkelijk in de fauteuil van mijn denkbeelden, laat de lichtvoetige, de ideeën van een slapjanus, een naïeveling, een dromer,… op dat klein deel van de zetel zitten waar hij zijn voeten legt. Ik voel mijn angst om mee te gaan in haar gedachten groeien, alsof ik verplicht ben om ze over nemen, alsof door uitgesproken te worden ze een deel van mijn mening worden. Ik word onrustig door hiernaar te luisteren, maar waarom? Ik moet denken aan mijn zoon, onze ruzies, dat ik me soms afvraag of hij wraak wil nemen, zijn eigen identiteit opbouwen door op zo’n kordate manier met mij af te rekenen, zichzelf voor te houden, zo ben ik niet. Hij getuigt van veel verstand door mij te zeggen dat onze meningen mogen verschillen, want daar knoopt het echte gesprek, de oprechte dialoog, het wederzijds respect aan. Het leven heeft me toegelaten aan zijn identiteit te knutselen, dat hij het noodzakelijk vindt niet alleen mijn prutswerk af te breken, maar ons innerlijk fluweel op te poetsen, om zo te kunnen omgaan met zijn onbegrip dat ik niet altijd coherent ben, zijn ontgoocheling in mij.

We willen ons enkel wreken om het kwaad dat ons is aangedaan. Wreken om de pijn, die onbegrepen pijn, te vernietigen, die ons kwaad maakt, die ons hart afsluit van de rest van ons lichaam. Aan die pijn heeft niemand plezier, niemand heeft plezier aan pijn. Pijn vreet aan onze woorden, onze gedachten, onze luisterbereidheid. Het is de wraak van een jonge man op de pijn om zijn leven in handen te nemen met de tekortkomingen van zijn vader, geen dodelijke wraak, maar een wraak die enkel wraak blijft als ze onbegrepen blijft, wraak die verbroedering als zoektocht heeft. Hoe graag zou ik het willen om zo rustig naar iemand te luisteren, hem of haar met goeie argumenten bestoken, tegenspreken of beamen, fouten mogen maken, erop gewezen worden, ze verbeteren, zonder innerlijk te zieden. De geur van het verlangen vervaagt bij de overmacht van de pijn, vaker dan we willen duwen we elkaar in een hoek, nemen we verwijten als argumenten, waardoor ik vermoed dat discussiëren niet aan mij is besteed.

Sinds we terug zijn uit Albanië, is de sfeer langzaam omgeslagen tussen ons. We worden meer en meer agressiever tegenover elkaar. Psychologisch en fysiek geweld is ons niet meer vreemd. Er is een grens overschreden (22.12.2014).

Zachtheid is geen eeuwigheid gegund en na 19 jaar keerde de zachtheid zijn mantel en onze wegen scheiden. Nooit had ik stilgestaan bij het feit dat babyhandjes vuisten kunnen worden en twinkelende lichtstraaltjes brandende lasers. “Portez le velour à l’intérieur”, had Louis – mijn oude, sinds kort wijlen, vriend –  me altijd meegegeven. Fluweel is zacht. De dood die hem, sinds ik hem ken, tussen de tanden zat en daar niet zomaar met een tandenstoker weg te halen was, heeft hem uiteindelijk verlost van een leven waar hij uit wou stappen toen hij leefde, door zich kapot te roken en te drinken, maar waarvoor hij tot op het einde van de leven voor vocht om diezelfde dood van tussen zijn tanden niet de kans te geven te ontsnappen, want zolang hij daar zit, was hij zoals een slapend virus, onschadelijk. Ik besef dat ik nog steeds niet voldoe aan de voorwaarden van zijn uitspraak, en wat hij me ook vertellen wou, wat ik er ook van gemaakt heb, wat ik er ook van begrijp, ik heb het nog niet kunnen doorgeven aan Louka.

December 2017, de oplossingen die we vinden om onze agressiviteit te bedwingen is soms aandoenlijk komisch, waarbij we langzaam werken aan een wederzijdse veranderende beeldvorming. Eenmaal een gedachte in onze molen terechtkomt, krijg je hem er nauwelijks weer uit, want die molen die heeft die gedachte versnippert, waardoor alle snippers verwijderd moeten worden om van die gedachte af te geraken. Volgens hem stel ik me nooit in vraag en wat ik ook mag doen, er zal veel water naar de zee vloeien eer hij zal zien dat ook ik me in vraag stel. Maar tijdens het vloeien van al dat water zie ik ook in dat hij niet altijd ongelijk heeft. Uiteraard kan ik daar moeilijk een antwoord op geven, er valt wel mee te leven. We moeten niet overeenkomen in een discussie. De daden van een discussie beginnen pas na het einde van het gesprek, dan komen de ideeën pas los, beginnen ze te gisten, worden ze in vraag gesteld.

1997, Louka wordt geboren. Hij valt van zijn planeet en ik wordt zijn vader. Louka praat niet. Is Louka dood? Neen, Louka is dysfasiek. Ook ik ben pas op mijn vierde beginnen praten, maar mij werd nooit deze handicap toegeschreven. Plots begon de kleine pagadder te praten, en ook dat gaf terug reden tot stress. Hij ratelt lachend aan één stuk door, enkel was hij onbegrijpelijk in dat eigen geestig taaltje van hem.

Ik ben geen goeie luisteraar. Daar ben ik me door de jaren heen bewust van geworden. Mijn zwijgzaam karakter is geen synoniem voor luisteraar, eerder observator, dromer, waarbij luisteren een moeilijk opgave blijkt. Dat is ook niet anders met Louka geweest. Hoe kunnen we toch onze eigen leugens zo goed voorspellen. Is dat wat we zelfkennis noemen. En toch heb ik naar een verhaal geluisterd. Hij zou er zelf schaterlachend ziek van worden. Een verhaal waar velen iets over te vertellen hadden en zeker qua raadgevingen. Een verhaal dat een ander verloop had dan ikzelf ooit had kunnen inschatten. Maar dat is dan ook het leven van een verhaal.

Oktober 2016. Deze nacht kwam hij thuis slapen, na zijn eerste week van onze bruuske scheiding. Ik voelde me opgewekt en plots kwam onze verbondenheid en wederzijds respect terug, maar de nog steeds aanwezige broosheid weerspiegelde zich in ons stilzwijgen, waarmee ik hem vergezelde naar zijn nieuwe thuis die ik na een week nog steeds niet had gezien. Het bracht me terug naar die dag waar ik een taxi nam naar het hospitaal, 29 september 1997 rond elf uur ’s morgens, zijn geboortedag. De taximan ratelde maar door over zijn familie, de geboortes van zijn kinderen, maar heel aandachtig was ik niet voor zijn verhaal en niets resteert nog in mijn herinneringen, buiten de emoties die ik met die man beleefd heb, in mijn herinneringen worden woorden makkelijk gewist, maar de emoties blijven volharden. Ik dacht aan mijn eigen verhaal. Mijn relatie met zijn moeder was toen al broos, en welke vader is sowiezo klaar om een kind op te vangen? Ik was zelf nog steeds op zoek naar mijn eigen bevrijding. 14 uur 17 was het moment dat we elkaar ontmoeten.

“Ik ben benieuwd wat je me te vertellen hebt…”, schreef ik hem. Maar luisteren is waarschijnlijk het meest moeilijke wat we te leren hebben, luisteren wekt zoveel emoties bij ons op, dat we meer naar onze emoties luisteren dan naar wat ons verteld wordt. En zo groeit het verwijt: jij luistert niet.

We zijn behoeftige wezen. Is het daarom dat we elkaar zoveel verwijten, die hun oorsprong in een behoefte vinden? Zo had ik het ooit zelf met mijn eigen vader aan de stok. Waarom vroeg ik ook zo vaak af wat hij me geleerd had. Waarom kon ik niet inzien dat ik mezelf in handen had. Hij speelde muziek, speelde theater, schreef gedichten, was wiskundig en wetenschapper. Waarop was onze manier van discussiëren gebaseerd? Op zekerheden, op vragen, op filosofische invloeden? Hoe komt het toch dat wij niet elkaar met filosofische vraagstelling beantwoorden, er niet in slagen ons in te beelden in het standpunt van de andere en zo een relationeel respect op te bouwen. Hoe komt het toch dat we geen rekening houden met die standpunten en dat we allemaal toch altijd beter weten. Te vaak moet ik vaststellen dat dit mijn manier van praten is. Nochtans wil ik het helemaal anders, maar het lukt me niet, het lukt me niet die manier van discussie aan te halen, die emotionele knoop in hart los te maken. Nochtans met een vraag, vragen we naar iemands mening, met een vraag willen we dat iemand zich open stelt, met een vraag zijn we geïnteresseerd in de andere. Daar hebben we schrik van, alsof het beantwoorden van een vraag rechttoe naar een sjamanistisch masker kijken is. Misschien hebben we wel schik dat we ontdekken hoe echt we leven en denken. Wat zoek ik eigenlijk?, dat vroeg je ooit. Wat zoek ik eigenlijk? Waarschijnlijk hetzelfde als wat Louka me nu ook vraagt. (5.1.2009)

Ver hoef ik dus niet te kijken. Hoe is het zover gekomen. Een vraag die we beiden waarschijnlijk vaak zullen stellen, maar anders beantwoorden. Hoe komt het toch dat ik nu zo hard en genadeloos ben geworden. Wordt iemand zo geboren? Ben ik dan in zo’n slecht gezelschap geweest? Ben ik dan zo slecht beïnvloed geweest? Is televisie de oorzaak, of de kleurstoffen in ons voedsel? Waarom zie ik al het slechte van mezelf in jouw? Is dat mijn grootste probleem? Ligt het in mijn onmacht om relaties uit te bouwen? (3.1.2009)

Zo kwam je plots te staan voor alles wat ik slecht vind in mezelf. Nochtans heb ik ooit met veel lof over je gesproken, maar die lof is gaan koelen. Werd ze gekleurd door een hoop dat het anders zou zijn? Je zegt me dat ik je verwijt en dat ontken. Dat is waar, hoe stom ook van me. En wat verweet ik je? Ik verweet je desinteresse in mij. Ik verweet je lafheid. Ik verweet je onvermogen. Ik verweet om dat ik dit zo goed kon. Je zegt me dat ik negatief geworden ben. (4.1.2009)

Ik ga toch niet iets vrolijks gaan vertellen, vervolgt mijn vriendin die allang de geur van haar baby’s vergeten is. Ze had het over haar volgend creatief projet. Vaak zou ik hierover een moralistische vooroordeel uitgesproken hebben, een aanloop tot verbetering van haar gedachten alsof ik nood heb om een helende goeroe te zijn, daar ik enkel mijn eigen hart rustiger wil laten kloppen. Ik ben nog steeds na al die jaren bezig met het uitroeien van het persoonlijk nemen van uitspraken die me provocerend aanvoelen. Het zijn op die momenten dat ik mijn woorden best wegsteek, luister naar die woorden. Wat ik ermee kan doen, of niet mee kan doen, mijn mening doen niets ter zake. Vragen stellen is veel beter dan antwoorden geven. Ik probeer dat gelukkig sinds een aantal jaren meer en meer aan me voorbij te laten gaan. Jammer dat dit ons niet veel vroeger is aangeleerd, maar daar draait onze moralistische wereld nu eenmaal rond. Ze heeft gelijk en moet doen we ze voelt, daar ben ik nu toch al lang achter gekomen. En toch betrek ik in mijn gedachten mijn zoon erbij, ik vraag me af of hij niet meer positieve verhalen nodig heb.

Het zou aangenaam zijn, maar onmogelijk in realiteit dat elk moment, elk verhaal rooskleurig is. Maar moet elk verhaal wel rooskleurig zijn? Mag een verhaal niet zwartgallig zijn? Het is zeker en vast geen aangename relatie. Niemand is hiernaar op zoek. We willen toch allemaal een aangename omgeving voor onszelf. Kinderen zijn uiteraard het slachtoffer van onze zwakheden, onze agressie, ons humeur, welke omgeving geven we aan onze kinderen? Maar als een sfeer negatief kan omslaan, kan hij dan op termijn niet ook weer positief omslaan? Rooskleurig en zwartgallig lopen arm in arm door het leven. Hoe zal ik vanaf nu met hem omgaan? Straks gaat hij alleen wonen. (September 2016)

Dit verhaal is gewoon ons verhaal.

Advertenties