Woordloos

Ik voel mij ongemakkelijk en observeer de ruimte waar ik ben. Een warm Brussels appartement dat ik goed ken. Hier woont een vriendin. Haar feestje vult het appartement met veel mensen, die zich in groepjes verdelen als bubbels met elk hun eigen inwoners en gesprekken, bubbels die organisch bewegen doorheen de vele ruimtes die haar inwoners afstoot en anderen dan weer aantrekt. Dat alles op een ritme alsof de wiskundige regels van de scheikunde zich hier absoluut willen laten gelden. Op zich geen enkele reden tot ongemak, maar ik blijf afzijdig en loop zwijgend tussen die organische bewegingen rond alsof ik van een afwerende materie ben vervaardigd. Af en toe probeer ik in een bubbel terecht te komen, maar krijg geen greep op de gesprekken rondom mij. Ik blijf daar ergens zwijgend als een vreemde observeren en eenzaamheid sluipt meer en meer in mijn hoofd binnen. De schrik voor een groep is allicht universeel. Een groep binnendringen, er zijn plaats eisen is een hele onderneming en iedereen heeft en krijgt er zijn eigen rol. Ik ben een observator, maar overstijg de observatie moeilijk, ik krijg geen grip op de gesprekken rondom mij. Drank, sigaretten zijn uiteraard welkom op zo’n momenten, maar de idee dat ze het makkelijker maken is illusoir. Dansen is mijn beste vluchtweg, of mijn fototoestel, maar dat voelt meestal niet als gepast aan. Waarom voel ik me niet goed? De roep naar contact!

“De gewenste vreemdeling, die hij was, kwam aan tafel aanschuiven. Hij bekeek zijn lieveling en luisterde vaag naar de gesprekken die rond hem hingen. Haar spel is fascinerend. In haar opgewekheid ontpopte ze zich tot een levenslustig lappenpopje. Maar waar was hij met zijn gedachten toen hij haar vroeg niet afzijdig te blijven in hun liefdesontdekking. Hij verweet zijn eigen grootste bekommernis, aanwezig in deze wereld te blijven.” (Augustus 1992)

‘Waarom doe je niet alsof?’, gaf mijn vader me ooit mee als oplossing voor mijn stilzwijgen in mijn familiekring. Komt mijn eenzaamheid uit mijn complexiteit? Ik ben toch een sociaal en graag gezien iemand. ‘Het is de grootste hedendaagse epidemie’, beweert een vriend en ik zie er de aanleiding in voor mijn onmogelijke relaties, waardoor ik de mogelijkheid dat die liefde eventueel wel mogelijk is, uitsluit? Is dat de oorzaak van mijn eenzaamheid? Verlies ik hierdoor mijn contact met mijn wereld? Ik sta voor het raam naar buiten staan gapen. Misschien sneeuwt het wel en dan heb ik enig plezier aan het observeren van die kleine dwarrelende vlokjes. Misschien herinneren ze me aan een zachtheid. ‘Ik heb geen man nodig om geluk te vinden’, zegt een vrouw die me bevalt op een avond en zo hoort geluk ook aan te voelen. Waar bevind eenzaamheid zich ergens? Eenzaamheid bevind zich niet op de grens met liefde of geluk, ze maakt er deel van uit.

Alleen zijn tussen mensen is het meest confronterend als je er mensen kent. Maar ik krijg mezelf minder en minder over de drempel om te praten. Eén iemand heeft me aangesproken, maar ons gesprek heeft niet lang geduurd. Ik smoor mijn eigen stem. Die momenten zijn biezonder eenzaam, ik voel me contactgestoord. Woordloos. Ik heb hier geen verweer tegen. Mijn eenzaamheid is hier niet meer ongemerkt. Ik wil niet zo gezien worden. Angst en schaamte overmeesteren me en ik bereid mijn vluchtweg stiekem voor. Weinigen zullen merken dat ik vertrek. Het overvalt me telkens weer al jarenlang.

Advertenties