Onopgemerkt

Als je onopgemerkt wil zijn, zijn er altijd fotografen om je waar te nemen. Ik wring me doorheen de grote receptie tot ik een plaats aan de bar vind waar ik kan halt houden, want het is belangrijk om een houvast te hebben om alleen tussen veel mensen ongemerkt te kunnen halthouden.

Halt houden is een onderschatte beleving in het leven, dat onherroepelijk aan onze tijd knabbelt en ons bij die pauze met een ijzingwekkend tempo voorbijsnelt. Alsof halt houden ons van het leven afscheurt, ons naar de duistere afgrond brengt als we niet snel reageren. Niemand haalt het toch in zijn hoofd om stil te staan op een snelweg.

Halt houden is geen onopgemerkte bezigheid en de fotografe lacht en grapt en ziet in mijn houding aan de bar een pose om gefotografeerd te worden. Nee, zeg ik gevleid en wou misschien wel op de foto, maar dan toch liever ongemerkt. Ik heb me ingehouden, ik heb me ingehouden, zegt ze herhalend. Haar hoofd volgt de tred van haar voeten niet, veroorzaakt een onevenwicht tussen haar boven- en onderlichaam, een deel dat stil wil staan en een deel dat haar aan de gevolgen van stilstaan herinnert. Ik heb schrik dat haar ogen die me schalks vanuit de hoeken van haar oogkasten aankijken zich zullen losrukken van haar hoofd door haar voorwaartse elan, ergens in die grote met mensen gevulde zaal voor me zullen blijven zweven en het wordt me duidelijk dat ze de foto in gedachten maakt. Ik hou van de subtiele vrouwelijke aanpak om iets niet te doen.

De zaal is bevolkt met Latijns-Amerikaanse mensen en mijn Spaans of Portugees is onbestaand, dus ik begrijp op de koop toe weinig van wat hier verteld wordt. Ik moet lachten als erbij nadenk hoe vaak ik me al in deze omstandigheden heb bevonden? Het vreemde is dat ik hier van hou. Is dit de reden waarom ik zo graag in Brussel verblijf? Ondergedompeld te zijn in een onbegrijpelijke omgeving, mijn ogen de kost te geven, terwijl in wandel op schaarse zonnige dagen. Als we alleen op zonnige dagen wandelen, bereiken we nooit onze bestemming. Misschien kwam de Braziliaanse schrijver, Paulo Coelho al wandelend Brussel binnen toen hij dit neerschreef, om zich zo de moed te geven om door te gaan. Is dat wat we in Brussel kunnen vinden? Onze bestemming. Alsof het leven een bestemming heeft, het enige waar het leven tot nog toe heeft geleid, is de dood.

Na een half uur receptie begin je mensen tegen het lijf te lopen en wordt de situatie een beetje ongemakkelijk en dan weet ik meestal niet wat doen. Bij iemand gaan staan die ik een beetje ken en proberen een gesprek aan te pappen? Waarover? Geen idee. Dan maar een glas bestellen, een bezigheid lost onze onbegrepen gevoelens op en ik slenter rond op deze receptie als in Brussel. Haar vele onbegrijpelijke talen componeren dagelijks een wereldse symphonie, waardoor een schat van ongrijpbare verhalen ontstaan, vaak miskende verhalen en de Brussel glijdt af tot de meest misvatte stad van de wereld. Maar die vreemde verhalen doorprikken ons beeld van deze stad, dit land, deze wereld, met het drukke leven dat ze herbergt. Ze wast de waas van onze blik af, bekijkt en interpreteert het beeld ondersteboven zoals een kind dat zonder moeite kan doen, maar volwassenen van zich afschudden omdat het niet coherent is met hun waarheid. Ik moet terugdenken aan een Roemeense vriendin die zich afvroeg hoe Brussel er zou uitgezien hebben zonder al haar buitenlandse invloeden. Ze gaf me geen antwoord, maar gaf wel voorkeur aan de bonte mengeling die ze nu zag en ervaarde.

Wij in Brussel, wij bakken er een zootje van komt mij ter ore, maar toont deze stad ook niet de moeilijkheden en de rijkdommen van dit land? Kuieren in Brussel is ook niet altijd de meest aangename wandeling, je moet haar mooie kanten willen zien, er op zoek naar gaan, ze komen niet zomaar in het oog springen. Deze onbestuurbare, ongewenste, voor België een grootstad, haar hoofdstad, maakt me de laatste jaren vaker triest, confronteert ons met de harde realiteit van macht en weerloze vergeten wanorde, zodat haar intrinsieke rijkdom, haar vele kleuren, niets meer is dan een kleurrijk wandtapijt in een stoffig kasteel dat weinigen nog willen zien.

Ik hou van Brussel, hoor ik me vaak zeggen. Je houdt pas van een stad als je er de liefde vindt, leert me de schrijfster Asli Erdogan. Dus ga ik morgen er weer eens ongemerkt op uit, ook al regent het. Wher spass im suchen has, finded immer was, een plek, een gedachte, iemand.

Advertenties