Storen in Helsinki

Landen in Helsinki en afdalen naar het station is aankomen in een buitenaardse wereld, voor zover de mijne aards is, een betoverend landschap, machines die je alles verkopen, maar die me niet de nodige uitleg geven om mijn ticket naar het centrum te bekomen. Waar moet ik heen gaan op de map die voor mij staat? De machine heeft daar geen antwoord op. Geen muziek in dit station, maar een zweverige tonaliteit. Ik heb het gevoel me diep onder water te bevinden, afgesloten van enig licht, leven dat samensmelt met de duisternis, hier moet men stil zijn, hier moet rustig gedeist voortgaan in een zindelijke cocoon georkesteerd door slaperige tonen, die ik me bij een baarmoeder vootstel.

Twee jonge tiensers lopen rond met een draagbare luidspreker en bruusk schrikken de baarmoederklanken angstig ineen door deze hitsige popmuziek. Zo vreemd dat zelf de weinige mensen die hier rondlopen beginnen te dansen, een moeder filmt dit uniek moment. Maar niet voor lang, want abrupt uit het niets, alsof hij vastzat in een vloertegel, verschijnt een stationsmeester, een oorlogspara qua uniform maar dan met een engelengezicht, zijn zacht gelaat en lichaamstaal wijzen de twee tieners erop dat hun gedrag en muziek hier niet past. De stilte keert terug, het dansen stopt, de ijzige klanken van de zee keren terug en nemen de ruimte over, statig want dat was hun vredig toevertrouwd en niemand zal hun die eer afnemen. De kille tegels hebben stationspara terug opgenomen, wachten om op te treden tegen een volgende verstoring van de baarmoeder.

In de trein naar het centrum merk ik twee reiziger op. De ene met een cigaret achter zijn oor lijkt me depressief, de ander groot en statig, leren lange las, stop rustig en stevig rechtdoor de trein uit. Ik hoor arabische muziek, ik draai me om, alsof ik een rustig fluitende wind op een luidruchtig festival hoor, verlekkerd en verbaast, maar ik intimideer de man en zij zet de muziek onmiddellijk af.  Ik voel me vreemd. Ik ben hier een vreemdeling en zeg lachend dag tegen mijn buurvrouw als ik de trein uitstap. Misschien is dit wel mijn rol in dit spel, misschien is dit wel de rol van een vreemdeling, die uiteindelijk alleen maar vreemdeling is omdat de wereld hem zo bekijkt. Het mooie aan vreemdeling zijn, is dat je storen kan.  Storen is niet iedereen gegeven, zelf niet de meeste vreemdelingen.

We zouden ons meer moeten laten storen.

En mijn avond eindigt in een Russich restaurant, Blinit genaamd. Het sloot toen ik binnenstapte en ik vroeg de waard of hij een ander adres voor mijn honger had.
– You have casch? klonkt het met een Russisch accent.
– Yes.
– Come in.
Hij serveerde me een borsch die ik opat al mijmerend over Louis, mijn wijlen vriend, verborgen zoon van een rus, die hij zijn leven lang met meneer, een vriend des huizes, heeft aangesproken.

Foto’s:

Advertenties